“Op 10 september ben ik 18 jaar geworden. Dat vond ik lastig! Tijdens mijn verjaardagsfeest keek ik om me heen, zag al die mensen die van me houden en dacht: ‘Wat raar dat jullie voor de wet niet meer bestaan.’ Ineens was ik geen pleegkind meer. Gelukkig was het geen vraag of ik in dit gezin mocht blijven. Het is zo fijn dat mijn pleegouders, Coert en Nancy van Spall, hebben geholpen in de overgang van 18- naar 18+. Het was me alleen echt niet gelukt.”

Soms zou Deveney wel op kamers willen. “Als ik mot heb met mijn pleegmoeder!”, lacht Deveney. “Nee, op kamers gaan kost best veel geld en dat wil ik nog niet. Mijn pleegmoeder had al getipt om mezelf in te schrijven bij de Woningbouw. Die tip kwam hard binnen. Ik dacht direct verschrikt: ‘Oh, moet ik weg?’ Terwijl ze dat helemaal niet zo bedoelde! Ze keek juist jaren verder en wilde me helpen aan een voorsprong op de wachtlijst voor een woning.”

De moeder van Deveney was 19 jaar toen zij werd geboren. “Ze was drugsverslaafd. Van huis uit had ze niet veel goeds meegekregen dus ik neem haar niets kwalijk. Ze bracht me bijvoorbeeld voor twee dagen bij mijn tante, maar dat werd zonder overleg twee weken. Het was niet stabiel en ik was ondervoed. Lideweij Marinisse paste met regelmaat op mij in die tijd. Bij haar kreeg ik eten. Op een dag maakte mijn moeder zoveel herrie tijdens een psychose, dat de buren ongerust naar Lideweij belden. Samen met haar vader kwam ze polshoogte nemen en besloten ze om de politie te bellen. Ik weet de klap nog toen de politie inbrak. Ik ben naakt onder de arm van een politieman meegenomen. Als ik dat nu zou zien, zou ik zeggen: ‘Dat is niet oké!’ Gelukkig zag Lideweij dit ook en nam ze me van hem over. Vanaf dat moment ben ik enkele jaren als een koffertje heen en weer verplaatst.

Vanaf mijn vierde woon ik in dit gezin. Ik denk dat het helpt om te accepteren dat ik andermans kind ben en toch in dit gezin woon. Ik zeg wel papa en mama tegen mijn pleegouders. Ze zijn gewoon mijn ouders, vind ik. Toen ik 10 jaar was, is mijn biologische moeder overleden. Enkele jaren later ben ik in de voetstappen van mijn moeder gestapt. Ik gebruikte softdrugs en hield me niet aan afspraken. Ik raad pleegouders aan om streng te zijn en altijd te vragen waarom hun pleegkind later thuis is terwijl hij of zij al wel eerder klaar was op school.

Het is belangrijk om te weten dat er iemand is die om je geeft. Blijf praten! Ik deed het niet en werd op mijn veertiende erg depressief. Doordat ik zoveel kaarten kreeg tijdens mijn klinische opname, besefte ik dat al die mensen het heel erg zouden vinden als ik zou zijn overleden. Na mijn behandeling heb ik een tijdje bij Lideweij gewoond, omdat mijn pleegmoeder toen chemotherapie kreeg tegen borstkanker. Ik schreef toen in een dagboek wat goed ging, wat beter kon en waar ben ik dankbaar voor was. Schrijven kan ik elk depressief persoon aanraden. Uiteindelijk moet je toch zelf uit de put krabbelen.

Het gaat nu heel goed met me. Ik zit in het eerste leerjaar van het CIOS (Centraal Instituut Opleiding Sportleiders) in Goes. Ik ben alleen nog een beetje moe, omdat ik vorig schooljaar twee opleidingsjaren in één heb gevolgd, maar het was het waard. Ik ben er trots op! Vroeger toen ik klein was, zei ik: ‘Ik wil later voor mijn moeder zorgen.’ Dat kan natuurlijk niet meer, anders had ik dat wel gedaan. Maar ik ga het op een andere manier doen. Ik wil Sociaal Bewegingsagoog worden, zodat ik sport kan gebruiken om moeilijk opvoedbare jongeren, gedetineerden of mensen in een afkickkliniek te begeleiden.”

Dit interview verscheen eerder in de PM, december 2017